D66 wil meer bos
Bosnota Boris van der Ham
EEN VISIE OP BOS EN PARKEN
D66 wil dat het areaal bos in Nederland groeit van 10,6% in 2002 tot dan 15% in 2050. Deze uitbreiding aan bos zal vooral in de Randstad plaatsvinden en in de voormalige krimpgebieden worden gerealiseerd. Amsterdam, Rotterdam, Utrecht en Den Haag moeten in de toekomst met hun voeten in het groen staan. In de zogenaamde krimpgebieden zijn ook uitstekende mogelijkheden voor bos en parken. Uitgestrekte bossen worden gebruikt voor recreatie, natuur en houtproductie. Wat wordt gekapt, wordt weer aangeplant. De houtproductie kan worden gebruikt voor bouwmaterialen. Door de toename aan groen en aantrekkelijkheid is het daar mooi en rustig wonen.
Inleiding
Bij natuur denken de meeste mensen meteen aan bos of aan een park. Beiden zijn meestal echter door mensenhanden aangelegd. Vooral in Nederland. En dat is maar goed ook. Door toedoen van mensenhanden is de afgelopen 500 jaar het bos enorm afgenomen. Aan het begin van de vorige eeuw was er nog minder dan 5% areaal bos over. Door investeringen is dat aantal in 80 jaar gestegen naar bijna 10%.
Maar het kan en moet beter!
Natuur is de recreatievorm bij uitstek en daarbinnen is bos een van de hoogst gewaardeerde natuurvormen. Bossen hebben een hoge opvangcapaciteit door het besloten karakter, wat een directere natuurervaring teweegbrengt. In Nederland is er, vooral in de stedelijke omgeving, een nijpend tekort aan mogelijkheden om te recreëren in de natuur, [1] is er een dringende behoefte aan een meer duurzame leefomgeving gezien de klimaat- en milieuproblematiek en de (komende) schaarste aan grondstoffen en is er een grote druk op de schaarse ruimte.
Natuur en bos kunnen een essentiële functie vervullen door de ecosysteemdiensten die ze bieden. Deze ecodiensten omvatten onder andere de levering van schone lucht en drinkwater, de opslag van CO2, de levering van duurzame vernieuwbare grondstoffen, de bestuiving van voedselgewassen, natuurlijke regulering van ziekten en plagen, en een groene leefomgeving voor recreatie en welzijn. Voor een duurzame levering van deze ecodiensten zijn goed functionerende ecosystemen randvoorwaardelijk.
Gegeven de schaarste aan ruimte en de veelheid aan claims blijkt juist dat in bos deze maatschappelijke ecodiensten bij uitstek gestapeld kunnen worden. Bos is namelijk de goedkoopste natuurvorm, zoals blijkt uit de lijst van standaardkostprijzen. [2] Daarnaast herbergt bos een van de hoogste aantallen (doel)soorten, is een van de meest favoriete vormen van (natuur)recreatie en woonomgevingen en voorziet in essentiële milieufuncties en duurzame grondstoffen. Binnen de Nederlandse natuur is bos, met bijna tweederde van het areaal, verreweg het omvangrijkste ecosysteem. Internationaal gezien staat Nederland echter wel in de onderste regionen van beboste landen, zeker gezien de hoeveelheid bos per inwoner. Een steviger beleid gestoeld op bovenstaande maatschappelijke vraagstukken, gericht op (meer) bos en een actiever gebruik van de ecodiensten is dus van belang.
Wetten en beleid
De totale oppervlakte bos in Nederland is 360.000 hectare. Daarvan is 1.000 hectare strikt bosreservaat, [3] is 24.200 hectare onderdeel van de nationale parken [4] en is 56.400 hectare overig beschermd bos. [5] Het restant, ongeveer 280.000 hectare, bestaat uit niet beschermd bos. Ongeveer de helft van alle bossen in Nederland is in handen van de overheid (inclusief Staatsbosbeheer), de andere helft is in handen van particulieren. Van die laatste groep gaat het bij 1/3 om natuurbeschermingsorganisaties en bij 2/3 om particuliere boseigenaren. Van de ruim 60 miljoen m3 bos in Nederland wordt elke jaar ongeveer 1 miljoen m3 geoogst. [6] In Nederland wordt 8,2% van het Nederland houtverbruik zelf geproduceerd. Aan die score liggen verschillende wetten en beleidsstukken ten grondslag.
Boswet
De huidige Boswet dateert van 1922 en werd in 1961 geactualiseerd. De Boswet is het voornaamste wettelijke instrument voor bos met als doel het handhaven van het bosareaal en andere houtige beplantingen. In het kort zegt de Boswet: wat bos is, moet bos blijven. Bos dat wordt gekapt, moet worden herplant. Als dat niet kan op dezelfde plaats, dan elders (compensatie). Alleen bij een groot maatschappelijk belang wijkt de Boswet.
Onder de Boswet vallen alle beplantingen van bomen die groter zijn dan 10 are of, als het een rijbeplanting betreft, uit meer dan 20 bomen bestaat. Alleen bos dat buiten de bebouwde kom ligt valt onder de Boswet.(Een aantal boomsoorten valt niet onder de boswet. Dit zijn linde, paardekastanje, Italiaanse populier en treurwilg. Ook éénrijige beplantingen van populier en wilg langs landbouwgronden vallen niet onder de Boswet, net als boomgaarden en kwekerijen van kerstbomen of van bosplantsoen.
Voordat een perceel bos dat onder de Boswet valt wordt gekapt, moet een kapmelding gedaan worden. Een kapmelding moet ten minste één maand voor de kap worden gedaan. Binnen één jaar na melding moet de kap worden uitgevoerd. Gebeurt dat niet, dan moet opnieuw melding worden gedaan.(De kapmelding is geen kapvergunning. In sommige gemeenten is een kapvergunning vereist, die door de gemeente wordt afgegeven. Voordat gekapt wordt, is het raadzaam om bij de gemeente na te vragen of een vergunning vereist is. Als dat zo is, moet die apart worden aangevraagd.
Binnen drie jaar nadat een bos is gekapt moet het worden herplant. Deze termijn van drie jaar geldt ook als het bos door een calamiteit (brand, storm, ziekten of plagen) verloren gaat. Na drie jaar moet er een geslaagde herbebossing zijn uitgevoerd. Een herbeplanting die niet goed is aangeslagen moet, binnen 3 jaar na kap, worden ingeboet. Niet nakomen van de herplantplicht is een economisch delict. De provincie ziet toe op naleving van de herplantplicht en door de rechter worden hoge boetes opgelegd. Herplantplicht is grondgebonden. Bij verkoop van een perceel waarop een herplantplicht rust, gaat die herplantplicht over op de koper van het perceel. De verkoper heeft daarom de plicht om de koper te informeren als er herplantplicht op het perceel rust.
De Boswet kent de mogelijkheid om de herplantplicht uit te voeren op een ander perceel dan waar gekapt wordt. Dergelijke compensatie moet bosbouwkundig verantwoord plaatsvinden en over minimaal dezelfde oppervlakte. Bij veel provincies bestaan regels met betrekking tot compensatie. Vaak schrijft de provincie overcompensatie voor dat wil zeggen dat er een groter oppervlakte herplant moet worden dan was gekapt. Compensatie moet vooraf worden geregeld. Hiervoor is overleg met de handhaver van de Boswet (de provincie) nodig.
Flora- en faunawet
Op 1 april 2002 is de Nederlandse Flora- en faunawet in werking getreden. Deze nieuwe wet regelt de bescherming van dier- en plantensoorten. De Flora- en faunawet bundelt de bepalingen die voorheen in verschillende wetten waren opgenomen, de: Vogelwet 1936; Jachtwet; Natuurbeschermingswet (hoofdstuk V: soortenbescherming); Nuttige Dierenwet 1914; en Wet bedreigde uitheemse dier- en plantensoorten. Tevens is de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn (Europees) en het CITES-verdrag geïmplementeerd in deze wet. Hierdoor moet het inzichtelijker zijn wat wel en niet mag. Hierdoor heeft Nederland nu één wet voor de bescherming van in het wild voorkomende soorten.
De doelstelling van de wet is de bescherming en het behoud van de gunstige staat van instandhouding van in het wild levende planten- en diersoorten. Het uitgangspunt van de wet is 'nee, tenzij'. Dit betekent dat activiteiten met een schadelijk effect op beschermde soorten in principe verboden zijn. Daarnaast erkent de wet dat ook dieren, die geen direct nut opleveren voor de mens, van onvervangbare waarde zijn (erkenning van de intrinsieke waarde). Van het verbod op schadelijke handelingen ('nee') kan onder voorwaarden ('tenzij') worden afgeweken, met een ontheffing of vrijstelling. Het verlenen hiervan is de bevoegdheid van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit of, in geval van beheer en schadebestrijding, van Gedeputeerde Staten.
In de Flora- en faunawet is een zorgplicht opgenomen. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er ontheffing of vrijstelling is verleend. De zorgplicht betekent niet dat er geen dieren mogen worden gedood, maar wel dat dit, indien noodzakelijk, op zodanige wijze gebeurt dat het lijden zo beperkt mogelijk is.
De handhaving van de Flora- en faunawet wordt verricht door de Algemene Inspectiedienst (AID). Zij controleren ruimtelijke ingrepen en worden vaak getipt door lokale natuurverenigingen. Wanneer een ingreep invloed kan hebben op de natuur, kan een vergunning worden aangevraagd. Afhankelijk van welke soorten voorkomen op de locatie moet vervolgens een 'toets' worden verricht. De keuze voor toets is afhankelijk van de tabel waar de soorten op staan die voorkomen op de locatie.
Natuurbeschermingswet
Zoals de soortenbescherming is geregeld in de Flora- en faunawet, zo is de gebiedsbescherming geregeld in de Natuurbeschermingswet. Nederland kreeg in 1967 voor het eerst een Natuurbeschermingswet. Deze wet maakte het mogelijk om natuurgebieden en soorten te beschermen. Op den duur voldeed de wet niet meer aan de eisen die internationale verdragen en Europese verordeningen stellen aan natuurbescherming. Daarom is in 1998 een nieuwe Natuurbeschermingswet gemaakt die alleen gericht is op gebiedsbescherming. De Natuurbeschermingswet is op 1 oktober 2005 gewijzigd. Sindsdien zijn de bepalingen vanuit de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn in de Natuurbeschermingswet verwerkt.
De volgende gebieden worden aangewezen en beschermd op grond van de Natuurbeschermingswet: Natura 2000-gebieden (Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden); Beschermde Natuurmonumenten; en Wetlands. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Meestal verlenen de provincies de vergunningen. Maar soms doet het ministerie van LNV dit.
De Minister van LNV wijst de gebieden aan die vallen onder de Natuurbeschermingswet. Hierbij wordt de zienswijze van provincie(s), gemeente(n), eigenaren en gebruikers van het aan te wijzen gebied gevraagd. In het aanwijzingsbesluit wordt de exacte ligging van het gebied aangegeven en welke habitats in het gebied moeten worden beschermd. Na de aanwijzing van de beschermde gebieden, wordt door de provincie een inventarisatie gemaakt van elk gebied. Er wordt vastgelegd welke waarden in het gebied aanwezig zijn en waar de te beschermen habitats liggen. Als deze inventarisatie klaar is, dient er voor alle werkzaamheden die schadelijk zijn voor de te beschermen habitat een vergunning aan te worden gevraagd.
Voor de terreinen binnen aangewezen gebieden waar een actief beheer wordt gevoerd moeten beheerplannen worden opgesteld. Dit kan pas als de provinciale inventarisaties zijn afgerond. Deze plannen zullen door de provincie moeten worden goedgekeurd.
Wet ruimtelijke ordening
De Wet ruimtelijke ordening (Wro) is in 2008 vernieuwd en reguleert op zowel Rijks-, provinciaal- als gemeentelijk niveau de ruimtelijke component van het bosbeleid. Het Rijk beschrijft in een structuurvisie waar er gebouwd kan worden, waar het groen moet blijven en wie beslissingsbevoegdheid heeft. Verder legt het Rijk weinig beperkingen op en legt de verantwoordelijkheid voor de ruimtelijke ordening bij de provincies en gemeenten neer.
Provincies geven in hun structuurvisie (voorheen in het streekplan) een strategisch beleid voor de gemeenten aan. Een gemeente kan daar alleen van afwijken indien er een goede motivering voor is. Ook kunnen gemeenten besluiten een structuurvisie (gedeeltelijk) te herzien. De provincie gebruikt de eigen structuurvisie om de plannen van de gemeente daaraan te toetsen, net zoals het Rijk de plannen van de provincie aan hun structuurvisie toetst. Het is de bedoeling dat de structuurvisies op elkaar worden afgestemd en als uitgangspunt gelden voor bestemmingsplannen, inpassingplannen en projectbesluiten.
Bosbeleidsplan
Het Bosbeleidsplan van het ministerie van LNV uit 1993 was de opvolger van het Meerjarenplan Bosbouw uit 1986. Uitgangspunt in het Bosbeleidsplan was het verhogen van de natuurwaarde van het multifunctionele bos, zonder de houtproductiedoelstelling op te geven. Een belangrijk thema uit het Bosbeleidsplan is Geïntegreerd Bosbeheer. Dit is een beheervorm die erop is gericht de verschillende functies van het bos op kleine schaal (op opstandniveau) te integreren. De nadruk ligt daarbij op het optimaal combineren van de natuurfunctie, de houtproductiefunctie en de recreatiefunctie.
Geïntegreerd Bosbeheer maakt gebruik van natuurlijke processen en werkt via de weg van geleidelijkheid. Het heeft (mede daardoor) veelal een investeringsarm karakter. Het bos is opengesteld. Beheermaatregelen zijn gericht op de ontwikkeling van een naar boomsoort en leeftijd gemengd bos dat een gevarieerde en kleinschalige structuur heeft. Er is ruimte voor dood hout, inheemse boomsoorten, (hout-)kwaliteitsbomen en markante bomen.(
Bij Geïntegreerd Bosbeheer wordt aan de functies natuur, houtproductie en recreatie niet altijd hetzelfde gewicht toegekend. Een boseigenaar kan bijvoorbeeld de nadruk leggen op de houtproductie, of juist op de natuurfunctie. Ook kan hij veel of weinig aandacht besteden aan de mogelijkheden voor recreanten om van het bos te genieten. Uitgangspunt is dat de functies natuur, houtproductie en recreatie alle drie serieus worden genomen. Ze zijn alle drie mede bepalend voor de doelstelling en voor de vertaling hiervan naar concrete bosbeheermaatregelen. De uitdaging is om de drie functies elk zo goed mogelijk te vervullen.
Ecologische Hoofdstructuur
De Ecologische Hoofdstructuur (EHS) werd in 1990 geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. De EHS is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland. Het vormt de basis voor het Nederlandse natuurbeleid. De EHS levert, samen met het Natura 2000 netwerk, een bijdrage aan het behoud en de versterking van de biodiversiteit in Nederland. De uitvoering van de EHS ligt bij de provincies.
De EHS is opgebouwd uit kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en verbindingszones. Kerngebieden zijn natuurterreinen, landgoederen, bossen, grote wateren en waardevolle agrarische cultuurlandschappen die minimaal 250 hectare groot zijn. Natuurontwikkelings-gebieden zijn gebieden met goede mogelijkheden voor het ontwikkelen van natuurwaarden, van nationale en/of internationale betekenis. Verbindingszones zijn gebieden die kern- en natuurontwikkelingsgebieden als het ware aan elkaar knopen. Het doel is ook om deze structuur te laten aansluiten op ecologische verbindingszones in het buitenland.
In 1995 werden de doelsoorten en de natuurdoeltypen gedefinieerd, die pas in 2000 waren doorgevoerd in alle provinciale plannen. Er is toen besloten om een extra beleidsinspanning te leveren in de nota Natuur voor Mensen, Mensen voor Natuur. Het bijbehorende Meerjarenprogramma Ontsnippering is in 2005 door het parlement goedgekeurd. In dit plan zijn de belangrijkste barrières en manieren om ze te overwinnen in kaart gebracht. Voor edelherten worden bijvoorbeeld ecoducten over snelwegen gebouwd. Voor dassen en andere kleine dieren worden tunnels onder wegen aangelegd. De einddatum voor het hele programma staat op 2018.
Bos en milieu- en klimaatbeleid in Nederland
Klimaatbossen
Er zijn slechts enkele kleine bossen die specifiek zijn aangelegd met het oog op de vastlegging van CO2. De vastlegging van CO2 is echter wel een belangrijke inkomstenbron voor bebossers. Al in 1990 namen de samenwerkende energieproductiebedrijven (SEP) het initiatief om de CO2-uitstoot van één energiecentrale te compenseren door bosaanleg. Stichting Face werd opgericht om dit uit te werken. Deze stichting richtte zich vooral op goedkopere buitenlandse projecten, maar er werden ook bebossingplannen in Nederland ondersteund. Men kocht als het ware de CO2-vastlegging van de komende decennia op door eenmalig een financiële bijdrage aan de bebossing te leveren. Zo is in de jaren 90 de aanleg van ruim 1300 hectare nieuw bos financieel ondersteund. In 2001 heeft het Nationaal Groenfonds het Bosklimaatfonds geïntroduceerd. Hierbij krijgen bebossers een eenmalige bijdrage als koopsom voor de vast te leggen CO2. Tot 2009 is hiermee de ontwikkeling van iets meer dan 2000 hectare nieuw bos ondersteund.
FSC -standaard
FSC, de Forest Stewardship Council (Raad voor Goed Bosbeheer), is een internationale organisatie, opgericht in 1993, die verantwoord bosbeheer stimuleert. FSC stelt wereldwijde standaarden voor bosbeheer op, met daaraan gekoppeld een keurmerk. Als boseigenaren zich aan de FSC-standaarden houden, kan hun bos worden gecertificeerd. Onafhankelijke controleurs zien toe op naleving van de regels. FSC is het enige houtkeurmerk dat wereldwijd gesteund wordt door boseigenaren, bedrijven en alle grote milieuorganisaties en andere maatschappelijke organisaties. In Nederland is op dit moment 150.000 hectare bos gecertificeerd volgens de FSC-standaard. [7]
Boscertificatenfonds
Het Nationaal Groenfonds maakt duurzaam bos financieel aantrekkelijk door middel van het Boscertificatenfonds. Er wordt een vast bedrag per hectare uitgekeerd met als tegenprestatie de rechten op de CO2-vastlegging. Voorwaarden zijn onder andere dat het moet gaan om daadwerkelijk nieuw bos van minstens 5 hectare en dat het toegankelijk moet zijn voor publiek. Het Nationaal Groenfonds adviseert daarnaast bij de totale financiering van de bosaanleg en helpt eventueel met aanvullende ‘groene’ financiering.
Een voorbeeld is Landgoed Heidehof in Eext (Drenthe). Daar heeft het Nationaal Groenfonds in 2000 een bijdrage uit het Boscertificatenfonds verstrekt voor de aanleg van 40 hectare nieuw bos. Het landgoed ontving een bijdrage van 4.000 euro per hectare, terwijl er gedurende 50 jaar maar liefst 10.000 ton CO2 is vastgelegd. In 2006 is dit nieuwe bos opengesteld voor publiek. [8]
Een ander voorbeeld is de Agrarische Natuurvereniging Oost-Groningen (ANOG). Met behulp van het Boscertificatenfonds vormt ANOG op het moment ongeveer 200 hectare grond om tot het nieuwe natuurgebied Reiderwolde, dat voor een groot deel uit bos bestaat. Samen met subsidies is het Boscertificatenfonds hier een vorm van financiering die de aanleg van nieuw bos mogelijk maakt. [9]
Biomassa
De huidige maatschappelijke ontwikkelingen lijken niet anders dan tot een toenemende vraag naar hernieuwbare grondstoffen te leiden. Nederland wil koploper zijn in het ontwikkelen van de biobased economy.
Platform Hout Nederland heeft in 2007 een schatting gemaakt wat de huidige beleidslijnen van EU en Nederlandse overheden betekenen voor de bos- en houtsector. Er is hierbij uitgegaan van een zelfvoorzieningsgraad van 25%, hetgeen vergelijkbaar is met wat de andere lidstaten gemiddeld bijdragen. In 2030 resulteert dit naar verwachting in een behoefte voor Nederland van 8 miljoen ton droge stof aan binnenlands energiehout (bij een aandeel van 40 procent van biomassa in de productie van duurzame energie). De huidige binnenlandse houtbronnen (gebruikt hout, resthout en hout uit bestaand bos en overige beplantingen) kunnen hierin, bij optimalisatie, voor maximaal 30 procent voorzien. De overige 70 procent zou moeten komen van nieuw aan te leggen (weg)beplantingen, bossen en energieplantages. In totaal zou dit een uitbreiding betekenen van het huidige areaal bos en beplantingen met 600.000 ha. [10]
Het huidige natuurbeleid van LNV richt zich momenteel sterk op het behoud en ontwikkeling van natuurwaarden en veel minder op de andere functies waarin natuur/bos in voorziet of die het kan bieden. Omgekeerd is er bij de ministeries van VROM en EZ gerichte aandacht voor duurzaamheid en (vernieuwbare) grondstoffen. Hierbij is echter de groene sector maar ten dele in beeld.
Overig
Wat betreft het beleid rond landgoederen heeft het Rijk in 1993 nieuw beleid gelanceerd onder de noemer ‘nieuwe landgoederen en buitenplaatsen’. Dit beleid voorziet erin om mensen een bouwvergunning voor een (land)huis te geven als ze de bouw koppelen aan de aanleg van minimaal 5 hectare bos.
Een belangrijke poging van het Rijk om recreatiemogelijkheden te bieden aan mensen in de Randstad is de Randstadgroenstructuur. Nadat in de jaren 80 de ontwikkeling hiervan voorspoedig verliep, stagneert deze de laatste jaren. Belangrijke oorzaken zijn planologisch onduidelijkheid, grondschaarste en, mede als gevolg daarvan, sterk gestegen grondprijzen.
De Commissie Bosuitbreiding stelt in 1993 dat er 50.000 hectare extra bos moet worden aangelegd, bovenop de al in 1986 voorgestelde 25.000 hectare. Dit voorstel wordt overgenomen in het Bosbeleidsplan uit 1993. Van de in totaal 75.000 hectare nieuw bos moest 30.000 hectare op landbouwbedrijven worden gerealiseerd met behulp van de Regeling Stimulering Bosaanleg op Landbouwgronden (SBL-regeling) uit 1993. Deze regeling voorzag voor het eerst in zowel een eenmalige beplantingssubsidie als een vaste jaarlijkse inkomenssteun.
In 2000 werd door het ministerie van LNV het Programma Beheer geïntroduceerd, waarin ook subsidiemogelijkheden waren opgenomen voor de aanleg van nieuw bos. Deze regeling was zeer succesvol, maar toen de overheid besloot om per 1 januari 2005 de regeling alleen nog open te stellen voor de aanleg van nieuwe bossen binnen de EHS nam de effectiviteit sterk af. Met ingang van 2008 zijn de bebossingsubsidies opgenomen in de Provinciale Subsidieregeling Natuurbeheer (PSN).
Huidige problemen voor bos en parkbouw
DOELSTELLINGEN VERTRAGEN
De nota ‘Natuur voor mensen, mensen voor natuur’ verving in het jaar 2000 onder andere het Bosbeleidsplan en is op dit moment nog steeds vigerend beleid. De planningshorizon van deze nota was het jaar 2010. Als toekomstperspectief is beschreven dat er in 2020 400.000 hectare bos moet zijn in Nederland. Op dit moment is er ongeveer 360.000 hectare. De realisering van de laatste 40.000 hectare gaat traag omdat die vooral in verstedelijkte gebieden moet plaatsvinden, en waar de ontwikkelingen vrijwel vast zit.
BETERE LANDSCHAPSBELEVING GEWENST
In Nederland is er, vooral in de stedelijke omgeving, een nijpend tekort aan mogelijkheden om te recreëren in de natuur, [11] De grootste arealen aan bos komen respectievelijk voor in Gelderland, Noord-Brabant, Overijssel, Drenthe en Limburg. [12] De kleinste arealen aan bos komen voor in Groningen, Zeeland, Noord- en Zuid Holland. Uit een ander onderzoek blijkt dat de landschapsbeleving (de waardering die men hangt aan de omgeving) relatief laag is in de Randstad en behoorlijk hoog is in de provincies Gelderland, Overijssel en Limburg. [13]
Er kan een relatie gelegd worden tussen de aanwezigheid van veel bos en de mate van landschapsbeleving. Het toevoegen van bos in de Randstad zou de landschapsbeleving kunnen laten toenemen. De verdeling van bos over Nederland zou hiermee meer in balans komen en de ecologische zones zouden zich kunnen uitbreiden richting de Noordzeekust. Probleem is echter dat de ruimte in de Randstad schaars is. Grond is duur en het aanleggen van bos zal op bezwaren stuiten. Van zowel grondeigenaren, agrariërs en ontwikkelende partijen.
BESCHERMING VAN DE OPEN RUIMTE
In de Randstad is er veel kwetsbaar cultuurlandschap. De open gedeelten met veenweidelandschappen hebben grote landschappelijke en cultuurhistorische waarde, maar staan sterk onder druk. Doordat de druk bewoonde gebieden vrijwel meteen overlopen in deze cultuurlandschappen, is de neiging om telkens delen van het cultuurlandschap af te schrapen bijna niet te onderdrukken door gemeenten. Gebieden als het Groene Hart leveren met kleine en grote stappen steeds meer areaal in. Het stellen van een groene grens blijkt hier erg ingewikkeld.
LANDBOUW WORDT INTENSIEVER
De landbouwsector maakt steeds meer gebruik van intensieve methodes van productie. Dit heeft grote voordelen, maar ook nadelen. Sommige vormen van landbouw verergeren de milieukwaliteit van de grond en lucht en kan kwetsbaar zijn voor bossen en parken.
WAT TE DOEN IN KRIMPREGIO’S?
Door vergrijzing, ontgroening, gebrek aan werk en perspectief, vertrek van bedrijven en bedrijvigheid slaat de krimp toe in bepaalde gebieden van Nederland. De krimp speelt zich voornamelijk af in de perifere gebieden, zoals Noordoost-Groningen, delen van Drenthe, de Achterhoek, Zuid-Limburg, delen van Zeeland, de kop van Noord-Holland en Noord-Friesland. Kenmerkend voor deze gebieden is dat ze, in uiteenlopende mate, geconfronteerd worden met leegstand van huizen en kantoren, leegstand van boerderijen, delen of complete dorpen die onbewoonbaar worden. In de toekomst zal dit scenario voor deze delen van Nederland steeds meer waarheid worden. Deze ontwikkelingen hebben hun effect op de aantrekkelijkheid van deze gebieden. Grond- en huizenprijzen dalen en landbouwgrond raakt meer in onbruik. Deze gebieden kenmerken zich nu nog in een groot aandeel in landbouw- en akkergrond. Met het vertrek van boeren (door gebrek aan opvolging, toename van concurrentie uit het buitenland door een toename aan regelgeving) neemt het aandeel cultuurgrond dat in gebruik is, af. Wat te doen met deze gebieden?
Voorstellen voor een nieuw bosbeleid
D66 wil je areaal bos de komende 40 jaar vergroten. Er liggen grote kansen. Om in de toekomst Nederland mooier te maken, moeten we nu beginnen. D66 stelt voor het bos en parkenareaal in 2050 tot 15% te hebben laten stijgen.
1) Nationaal Nieuwe Bossen en Parken Akkoord
D66 pleit voor een nationaal bossen en parkenplan. Overheden moeten samen met natuurbeschermingsorganisaties, particulieren en georganiseerde landbouw, een plan uitzetten waarin regelgeving wordt geslecht en de doelstelling van 15% wordt omarmd.
2) Aanwijzen van bosaanlegzones
Provincies die in streekplannen (of Omgevingsvisie in het kader van de WRO) en gemeenten die in het bestemmingsplan of in een beleidsnota aangeven waar de voorkeursgebieden liggen voor nieuwe bossen en landgoederen, geven door hun coöperatieve houding aan dat de bosuitbreiding en de nieuwe landgoederen kunnen rekenen op een goede voedingsbodem. Dit kan de planologische procedures verkorten, omdat niet op ad-hoc basis besloten hoeft te worden over de inpasbaarheid van een nieuw bos. Het is daarom belangrijk om provincies en gemeenten bosaanlegzones vast te laten leggen in beleidsnota’s, maar bij voorkeur ook verankerd in de ruimtelijke ordening.
3) Compensatiebeginsel verbeteren
Wanneer een ingreep in de beschermde natuurgebieden van de Ecologische Hoofdstructuur onvermijdelijk is en nadelige effecten niet voldoende voorkomen kunnen worden, is natuurcompensatie noodzakelijk. Nu functioneert dan niet goed. Wij stellen voor dat voor de ingreep in een gebied plaatsvindt er eerst duidelijkheid over de compensatie moet zijn. Zo wordt voorkomen dat het areaal bos en park afneemt.
4) Subsidie buiten den EHS
Voor bosuitbreiding binnen de EHS zijn subsidies beschikbaar, maar er wordt slechts beperkt gebruik van gemaakt. Tot 2005 was de subsidieregeling ook beschikbaar voor bosuitbreiding buiten de EHS. Ook toen werd het meeste bos buiten de EHS aangelegd. Het beschikbaar stellen van subsidie buiten de EHS is een belangrijke voorwaarde om bosuitbreiding op enige schaal te stimuleren. Hierbij kan de toenmalige subsidieregeling, waarbij vergoedingen bestonden voor de grondwaardedaling die optreedt bij het bebossen van landbouwgrond, de aanplantkosten en de beheerkosten, als voorbeeld worden gebruikt Hierbij kan gebruik worden gemaakt van cofinanciering vanuit Europese middelen, te weten het Plattelandsontwikkelingsprogramma 2007-2013. Het is van groot belang dat de medefinanciering vanuit de EU ook na 2013 blijft bestaan en aangevuld wordt met provinciale- en/of rijksbijdrage. Zo blijft voor het rijk en de provincies de bosuitbreiding betaalbaar.
5) Koppel bos en parkbouw aan groene woningbouw
Aan een nieuwbouwhuis zou een perceel groen kunnen worden gekoppeld in de vorm van groene openbare ruimte. Deze groene ruimte kan dan door de projectontwikkelaar worden aangelegd, parallel aan het realiseren van de woningen. Om dit mogelijk te maken zou er een norm kunnen worden vastgesteld waaraan de oppervlakte van de woningen, het aantal woningen of het aantal inwoners wordt gekoppeld aan een oppervlakte groen. Dergelijke normen hebben in het verleden ook bestaan, de zogenaamde Vinac-norm en de Rigo-norm. Beide normen gaven ongeveer hetzelfde aan, namelijk 75 m2 groen per woning.
Bij een groennorm is belangrijk om vast te stellen dat het gaat om kwalitatief hoogwaardig groen. Het moet gaan om goed ontsloten en ingericht bos. Het moet niet zo zijn dat alles waar geen stoeptegel of asfalt ligt wordt meegeteld als groen. Daarnaast zou het goed zijn om een groennorm niet alleen aan woningbouw te koppelen maar bijvoorbeeld aan alle vormen van bouw, dus bijvoorbeeld ook aan kantoren. De oude norm van 75 m2 zou een minimum moeten zijn voor een nieuwe norm. Dat zou dan betekenen dat er voor de bouw van één miljoen woningen 7.500 hectare bos wordt aangelegd.
Tegenwoordig heeft men de verplichting om per gebouwde woning aan te geven wat het niveau van energieverbruik is, het zgn. energielabel. De groennorm zou aan dit label gekoppeld kunnen worden. Per niveau van energielabel kan worden aangegeven hoeveel groen er moet worden aangelegd om de uitstoot aan CO2 te compenseren. Zo worden huizenkopers ook direct gestimuleerd om een energiezuinig huis te kopen.
6) Bescherm het open landschap met bomen als buffer
Vooral in het Groene Hart staat de open ruimte voortdurend onder druk. Omdat er geen natuurlijke grenzen aan het Groene Hart zijn, wordt er steeds meer van het open landschap afgeknabbeld. Met name in deze gebieden kan nieuwe bos en parkbouw een uitkomst zijn. Door aan de grenzen van het Groene Hart bomen te planten en bossen en parken aan te leggen, wordt het open landschap op een natuurlijke wijze omzoomd met een buffer. Door deze natuurlijke begrenzing zal zowel fysiek als beleidsmatig het lastiger zijn schadelijke keuzes te maken
7) Maak het belang van bos duidelijk bij zowel burger als beleidsmaker
Voorlichting aan burgers en bebossers
Voorlichting is bij stimuleren van bosaanleg een belangrijke factor. Potentiële bebossers moeten immers op de hoogte zijn van de mogelijkheden. In het verleden zijn allerlei voorlichtingsacties geweest en deze hebben aantoonbaar tot nieuwe bossen geleid. Op dit moment zijn geen concrete voorlichtingsacties (behalve recent het boek van Probos: De aanleg van nieuwe bossen). Het is daarom aan te bevelen om, zodra de randvoorwaarden voor bosaanleg voldoende duidelijk zijn, een voorlichtingsactie op te starten.
Vereniging van eigenaren
Bossen nemen een speciale positie in bij Nederlanders. Er is in algemene zin dan ook groot draagvlak voor bosuitbreiding. Het ligt dan ook voor de hand om deze krachten te gebruiken en hen bij bosuitbreiding te betrekken. Vroeger was veel bos gemeenschappelijk bezit in zogenaamde malegenootschappen. Eén maal per jaar kwamen de geërfden (mede-eigenaren) bijeen om over het beheer te praten tijdens een zogenaamde holtsprake. Deze vorm van een ‘vereniging van eigenaren’ van een bos moet nieuw leven worden ingeblazen.
Provinciale bosaanleg-aanjagers
Bosaanleg is een zaak van lange adem. Het regelen van de financiering en de talloze (planologische) procedures kosten veel tijd, er is er veel kennis nodig voor het welslagen van de plannen en er moet vaak worden geïnvesteerd in het maken van plannen zonder garantie op succes. Veel mensen die interesse hebben in bosaanleg laten zich hierdoor afschrikken of stranden ergens in het proces. In de praktijk (Limburg en Drenthe) is sterk gebleken dat een provinciale bosaanleg-aanjager een belangrijke rol kan vervullen bij het enthousiasmeren, informeren en begeleiden van mensen die interesse hebben in bosaanleg. Als het rijk en provincies serieus aan de slag willen met bosaanleg zullen ze een (deeltijd) bosaanleg-aanjager aan moeten stellen.
Natuurproducten
Realiseren van herkenbare en herleidbare natuurproducten. Via het subsidieprogramma ‘Burger en Bos’ wordt door verschillende maatschappelijke organisaties een breed palet aan voorlichtingsactiviteiten ontwikkeld. De subsidieregeling ‘draagvlak natuur’ van LNV heeft de afgelopen jaren een zeer belangrijke financiële bijdrage verstrekt aan programma’s of projecten gericht op het vergroten van het draagvlak voor natuur in de Nederlandse samenleving (‘mensen naar de natuur & bos’). Dit programma heeft echter geen doelstelling gericht op het versterken van het draagvlak voor natuurgebruik (‘natuur & bos naar mensen’). Concreet wordt hier voorgesteld dit programma met deze doelstelling uit te breiden.
8) Bosbouw in krimpregio’s
Leegstand van woningen is een probleem dat in toenemende mate aan de orde is in krimpgebieden. In Noord- en Oost-Groningen en in Noord-Friesland is dit nu al realiteit. Leegstand van woningen biedt kansen om groene woonvormen te realiseren. De beschikbaarheid aan ruimte is een goede mogelijkheid om ‘dorpen in het groen’ te realiseren. Dit kan een positief effect hebben op het imago en de aantrekkelijkheid van het gebied. Maar ook de aanplant van nieuwe grote bossen is belangrijk. In Limburg kunnen de hellingwouden weer worden geintroduceerd, en in het Noorden van het land zijn er ook grote mogelijkheden om het areaal bos te vergroten.
9) Geef bos een volwaardige plaats in het milieu- en klimaatbeleid
Functiecombinatie met energievoorziening biedt veelbelovende kansen. Te denken valt aan de combinatie (energie)bossen en windmolens, waarbij de laatste voor de financiering van de eerste zorgt. De huidige windmolens zijn dermate hoog dat zij geen last hebben van een bos dat aan hun voeten ligt. In het bos zal niemand hinder ondervinden van bijvoorbeeld het geluid van de windmolens of de slagschaduw van de wieken. Het rendement op de windmolens kan het bos betalen. Er zijn berekeningen dat één windmolen over een termijn van 15 jaar voldoende rendement oplevert voor de aanleg en beheer van een bos van 20 hectare. Het Groenfonds is dit aan het verkennen in samenwerking met de Stichting Klimaatlandschap Nederland.
Hout in de bouw
Het Nederlandse beleid voor duurzaam inkopen door overheden geeft als randvoorwaarde een eerste stimulans in de goede richting. De overheid zou als flankerend beleid het gebruik van meer hout in de bouw ook gericht kunnen stimuleren. Zo stimuleert de Franse regering houtgebruik i.v.m. klimaatverandering. Per decreet (2010-273 d.d. 15 maart 2010) heeft de Franse regering bepaald dat er een verplicht aandeel hout moet worden verwerkt in nieuw te bouwen objecten. Tot 30 november 2011 geldt als overgangsmaatregel nog een wat lichter regime. [14]
Houtproductie
De Nederlandse overheid zou veel meer kunnen doen om het gebruik van hout te bevorderen. Er zou een heffing voor milieukosten op alle grondstoffen kunnen komen. Hiermee ontstaat een rechtvaardiger en meer transparante prijsverhouding ten opzichte van hernieuwbare grondstoffen, zoals hout (als voorbeeld hierbij het ‘Noordelijke Alternatief’ uit Scandinavië, zie onderstaand kader). De Scandinavische maatregelen stimuleren het gebruik van de duurzame en hernieuwbare grondstof en brandstof hout. Dit draagt bij aan de duurzame instandhouding van bos.
De noordelijke samenwerking tussen Zweden, Finland, Denemarken en IJsland op het vlak van energie heeft een lange traditie. De noordelijke energiemarkt is de meest duurzame, ontwikkelde en geharmoniseerde markt binnen de EU. De noordelijke landen hebben de hoogste doelstellingen op het vlak van duurzame energieproductie in 2020 van de EU (van 30 tot 50%; Europees 20%). Deze doelen zijn en kunnen worden bereikt op basis van een complex aan maatregelen die per land enigszins verschillen, maar echter alle gericht zijn op het belasten van fossiel. Hierbij wordt uitgegaan van het ‘Total price system’. Dit gaat uit van een systeem, waarbij de totale kosten worden berekend bestaande uit: brandstofkosten (bijvoorbeeld de olieprijs), energiebelasting (op fossiel), CO2-, SOx- en NOx-belasting.
Hiernaast wordt gewerkt met een pakket van stimuleringsmaatregelen met name gericht op duurzame innovatie. Scandinavië is hiermee leidend geworden in de technologieontwikkeling op het vlak van duurzame energie en heeft hier een exportproduct van gemaakt. Ook wordt gewerkt met een systeem van Nordic ecolabelling (the ‘Nordic Swan’). Dit is een label voor producten en diensten gericht op het minimaliseren van de milieubelasting van het product, het gebruik van vernieuwbare materialen en minimaliseren van gebruik van niet vernieuwbare grondstoffen en het gebruik van energie gedurende productie, transport en gebruik. Zweden heeft zelfs milieugericht productiebeleid ontwikkeld, met als doel het realiseren van producten, die zeer efficiënt zijn in termen van materiaal en energiegebruik, een minimalie impact hebben op milieu en gezondheid ten tijde van de productiefase, gebruiksfase en afvalfase.
Biomassa
De conclusie van deze exercitie is dat de huidige maatschappelijke vraagstukken een duidelijke trendbreuk vragen in het bosbeleid teneinde de Nederlandse voetafdruk zo acceptabel mogelijk te houden. Import van buiten is onontbeerlijk, maar Nederland zou zelf een substantiële bijdrage moeten kunnen leveren. Door meer houtproductie kan Nederland meer zelfvoorzienend zijn.
10) bescherm bossen en parken tegen de te intensieve landbouw
Om ook de toekomstige bossen en parken te kunnen beheren en behouden is een grote slag in de landbouw nodig. De milieu-uitstoot moet minder, om verzuring van de grond en het water tegen te gaan. Bovendien moeten landbouwbelangen niet telkens winnen van natuurbelangen in de beleidskeuzes van lokale, provinciale en nationale overheden.
[1] Milieu- en Natuurplanbureau, Belevingswaardenmonitor Nota Ruimte 2006. Nulmeting landschap en groen in en om de stad (2007).
[2] Commissie Verheijen, Herberekening standaardkostprijzen natuurbeheer (2009).
[3] IUCN-code I
[4] IUCN-code II
[5] IUCN-code III t/m VI
[6] , Kerngegevens bos en hout in Nederland (2009).
[7] FSC Nederland, www.fsc.nl.
[8] Nationaal Groenfonds, Boscertificatenfonds (2008).
[9] Nationaal Groenfonds, Reiderwolde. Aanleg nieuw bos met Boscertificaten van Nationaal Groenfonds (2008).
[10] Platform Hout Nederland, CO2-beleid vraagt verdubbeling Nederlands bosareaal (2007).
[11] Milieu- en Natuurplanbureau, Belevingswaardenmonitor Nota Ruimte 2006. Nulmeting landschap en groen in en om de stad (2007).
[12] CBS Voorburg / WUR Wageningen.
[13] De Bosatlas van Nederland , 2007.
[14] Algemene Vereniging Inlands Hout, Nieuwsbrief (maart 2010).
Meer nieuws
- Regiovisie: alle partijen samenkijken naar toekomst 9-3-2012
- D66 tegen benoeming Wolters 27-1-2012
- Vragen over gevolg herijking EHS 17-11-2011
- Peize en Roden op sterke houden 14-10-2011
- Nieuw bestuur voor D66 7-10-2011
- AAV over nieuw bestuur 26-9-2011
- Johan Sagel commissielid 24-9-2011
- D66 stelt vragen over afsluiten brug 26-8-2011
- Zwembad redden, geen hogere OZB 27-6-2011
- 12 mei: Ledenvergadering In Winsinghhof 12-5-2011



word lid







